Ode aan de vrijheid
Concertrecensie: Vernon Chatlein in Splendor, 28/10/2025
‘Teri, Teri,’ zingt Mara Letí. Het is dinsdagavond en het publiek in de kleine zaal in Splendor zingt luidkeels met haar mee. Leti’s woorden zijn een speels antwoord op recente uitspraken van Thierry Baudet over de toekomst van de ABC-eilanden. Geen protestlied, maar een ode aan de vrijheid.
Frustratie en woede, het zouden logische ingrediënten zijn voor een concert waarin traditionele Curaçaose muziek wordt gespeeld - muziek die mede ontstond tijdens het Caribische slavernijverleden. Maar bandleider Vernon Chatlein gaat wrok uit de weg en zoekt naar verbinding. Van het verleden mag je niet wegkijken, zegt hij zelf, maar daarmee leidt onrecht nog niet per se tot zwaarmoedige muziek.
De Curaçaose Chatlein deed onderzoek naar twee Afro-Caribische muziekstijlen: muzik di zumbi (’muziek van de geesten’) en tambú (letterlijk ‘trommel’). Het resultaat presenteerde hij op dinsdagavond in Splendor, Amsterdam.
Hoewel Chatlein muzik di zumbi in een modern jasje heeft gestoken, met jazz en latin-invloeden, begint het concert in Splendor in een intieme, traditionele setting: uitsluitend zang en percussie. In dezelfde setting ontstond deze muziek op de Curaçaose plantages. In de lange melodieën van Letí zit de pijn van generaties, maar vooral ook hoop en optimisme. Na de openingsnummers maken piano, contrabas en saxofoon de band compleet. De nieuwe instrumenten versterken de stem van Letí, die prachtig synchroon zingt met de saxofonist.
Chatlein staat zelf in het midden van het podium, achter een machtige slagwerkconstructie. Vrolijk zingt hij mee met de hoogste noten van Letí en de polyritmes van de pianist. Bijzonder is het moment waarop hij zijn benta pakt, een houten mondboog met één snaar. In opperste concentratie slaat Chatlein op de snaar, waarbij zijn mond dient als klankkast. In een volgend nummer roffelt hij weer op zijn conga, de ogen gesloten, een lach op zijn gezicht.
Naarmate het concert vordert neemt de chaos in de kleine zaal toe: van het gebonk op de enorme tambú grandi, tot het geschraap op de wiri door de tweede percussionist. Tijdens de nummers overleggen de bandleden soms hardop met elkaar, en sporadisch klinken er kreten van enthousiasme uit het publiek. Gek genoeg is het de huiselijke wanorde die het geheel kracht geeft, die de muziek doet leven en de zaal in beweging brengt.
Muziek maken om het muziek maken is onmogelijk: ook dit concert heeft een politieke lading. Zonder het leed van de Curaçaose bevolking was deze muziek immers niet ontstaan. Maar vanavond is van treurnis geen sprake. Het verzet uit zich in zang, dans en samenzijn. De meeste bezoekers verstaan Letí’s woorden niet, maar iedereen voelt haar extase.
